Achtergrond 4
home / over vvgn / uitgelicht / reactie vvgn op het landelijk kwaliteitsstatuut ggz

Reactie VVGN op het Landelijk Kwaliteitsstatuut GGZ

Inmiddels is de definitieve tekst van het Landelijk Kwaliteitsstatuut GGZ vastgesteld. Dit is tot stand gekomen op grond van de zogeheten doorzettingsmacht van het Zorginstituut Nederland. Tot onze stomme verbazing wijkt het op essentiële punten af van een eerdere concepttekst en dat is zowel zeer teleurstellend als zeer zorgelijk. De verslavingsarts kan indicerend regiebehandelaar (d.w.z. het diagnosticeren en indiceren van behandeling) zijn bij complexe problematiek indien er sprake is van laagcomplexe zorg, coördinerend regiebehandelaar (coördineren uitvoer behandeling) bij complexe maar niet-acute problematiek. Daarmee vervalt een indicerende regiebehandelaarstaak bij zeer groot deel van onze populatie en kunnen wij in tal van acute situaties die veel voorkomen in verslavingszorg niet meer zelfstandig handelen. De verslavingsarts KNMG lijkt daarmee in de definitieve tekst een nog kleinere rol te hebben gekregen dan in het huidige kwaliteitsstatuut.

In het huidige kwaliteitsstatuut kon de verslavingsarts KNMG regiebehandelaar zijn als verslaving de hoofddiagnose is, tenzij er sprake was van een ernstige comorbide psychiatrische stoornis. In de concept Generieke Module Indiceren en coördineren van zorg in de GGZ werd in het geval van meervoudige problematiek aangegeven dat de indicerend regiebehandelaar moest beschikken over “competenties verkregen in een landelijk erkende postdoctorale specialistische beroepsopleiding in het domein van de medisch specialistische gezondheidszorg met een opleidingsonderdeel GGZ”.
Op onze vraag of de interpretatie juist is dat de landelijk erkende postdoctorale opleiding tot verslavingsarts KNMG, valt onder de omschrijving: landelijk erkende postdoctorale (specialistische) beroepsopleiding (met specifieke competenties op het vlak van de problematiek die in de betreffende casus speelt, namelijk verslavingsproblematiek, zoals ook omschreven), is vervolgens vanuit de Kwaliteitsraad geantwoord: “Uw interpretatie klopt inderdaad, in de concept generieke module is de verslavingsarts KNMG onder te brengen onder de categorie landelijk erkende postdoctorale specialistische beroepsopleiding”.

Wij zijn dan ook onaangenaam verrast te lezen dat in het definitieve stuk men hierop is teruggekomen. Door het artikel 14 BIG plots een rol te geven binnen het statuut wordt de verslavingsarts KNMG (die op dit moment onder artikel 3 van de BIG valt), inhoudelijk buitenspel gezet in de optimale zorg voor de patiënt met verslavingsproblematiek. Dit is voor ons onbegrijpelijk en wij willen uiteraard duidelijkheid krijgen van de Kwaliteitsraad omtrent deze plotselinge draai.

Vanuit de VVGN is al eerder er op aangedrongen om rekening te houden met de verslavingsgeneeskunde als specifieke tak binnen de GGZ. In de concepttekst werd dit gedragen maar het speelt in de definitieve tekst geen rol meer en is de GGZ als vanouds weer als één geheel genomen. Als VVGN hebben wij in de voorbereidende gesprekken beargumenteerd hoe zeer de patiënt met verslavingsproblematiek is gebaat bij een juiste verdeling van de regierollen. Een ieder die in het GGZ-veld van de verslavingszorg werkt is duidelijk dat juist de verslavingsarts vanuit opleiding en ervaring een zeer professioneel overzicht heeft over de aandoening en de behandelopties in de complexe overlap van verslaving en somatische en psychiatrische comorbiditeit. Het huidig kwaliteitsstatuut is daardoor een zeer ernstige inbreuk op de kwaliteit van de verslavingszorg en amputeert de verslavingsarts in de uitoefening van zijn vak. Daarnaast leidt dit kwaliteitsstatuut tot grote problemen in de organisatie en financiering van de verslavingszorg: als de verslavingsartsen hun beroep niet in volledigheid kunnen uitvoeren is er onvoldoende menskracht dat over te nemen en/of gaat dat gepaard met forse toename van kosten (o.a. door inzet van hoog betaalde psychiaters of ZZP-ers).

Een derde punt van zorg is de frustratie en demotivatie die kan optreden bij de beroepsgroep van verslavingsartsen. Al decennia is deze groep bezig met verbetering van kwaliteit van zorg voor de patiënt met verslavingsproblematiek. Dat komt in uiting in de continue doorontwikkeling van richtlijnen, van het onderwijs, de verbreding van onderzoek en wetenschap en talloze initiatieven op lokaal niveau. Dit statuut is een klap in het gezicht van die ambities.

Er zijn overigens ook enkele positieve punten te benoemen.
Bij het tot stand komen van het vigerende kwaliteitsstatuut was de VVGN nauwelijks betrokken. De VVGN wordt nu expliciet genoemd als een van de relevante partijen binnen de GGZ. Het is ook positief te noemen dat kwaliteitsvisitatie door de beroepsorganisatie expliciet genoemd wordt, evenals deelname aan een lerend netwerk.

In het thans geldende kwaliteitsstatuut moet een intake feitelijk altijd besproken worden met een psychiater of klinisch psycholoog, dat lijkt in het nieuwe statuut niet meer aan de orde. Op zich is dat een erkenning dat indicerend en coördinerend regiebehandelaar voldoende competent geacht worden, binnen zekere grenzen.

De VVGN vraagt om bovenstaande redenen bij de kwaliteitsraad nadere toelichting, met name ten aanzien van het onderdeel indicerend en coördinerend regiebehandelaar en de daarbij behorende competenties. Afhankelijk hiervan zullen wij kijken welke stappen wij kunnen nemen.
Een van de stappen hierin is om te kijken welke mogelijkheden er zijn om de verslavingsarts KNMG onder artikel 14 onder te brengen.

Met vriendelijke groet,
Namens de Vereniging voor Verslavingsgeneeskunde Nederland,

Peter Vossenberg, voorzitter
Maarten Belgers, bestuurslid

Uitgelicht